Capoeira
Een sport die typisch Braziliaans is, is capoeira. Dit houdt het midden tussen dans, vechtsport en krijgskunst. Het afkomstig uit het Noordoosten van Brazilië maar kent steeds meer beoefenaars over de hele wereld.
Hoe ziet capoeira eruit? Op het geluid van de muziek bewegen zich twee capoeiristas (beoefenaars van capoeira). Zij bevinden zich in een kring van andere capoeiristas, de ‘roda’. De capoeiristas in de roda zingen en klappen mee om de energie van de twee in het midden te vergroten. De twee capoeiristas in het midden voeren acrobatieke aanvallen op elkaar uit waarbij zij niet de bedoeling hebben om elkaar te raken. Het gaat in de eerste plaats erom dat de deelnemers hun bedrevenheid tonen. Capoeiristas maken meestal een aanvalsbeweging zonder hem te voltooien. Iedere aanval is voor de tegenspeler een mogelijkheid om zijn verdedigingstechnieken te laten zien.
Maar capoeira is meer dan sport alleen: het gaat ook gepaard met een eigen muziekstijl. In capoeira bepaalt de muziek het ritme en de stijl waarmee het spel wordt gespeeld. De muziek bestaat uit gezang dat wordt begeleid door berimbaus (bogen bespannen met een snaar en voorzien van een kalebas als klankkast), pandeiros (tambourijnen), een reco-reco (een rasp), en een agogo (een dubbele koebel). Daarnaast wordt vaak een grote trom gebruikt: de atabaque.
Capoeira kent drie soorten gezang. Allereerst zingt de mestre (‘meester’ of leider) een ladainha. Dit is meestal een beroemd lied. Vaak is het geschreven door een beroemde mestre. Na de ladainha volgt de chula of louvação. Hierin wordt god, iemands trainer of iemand anders bedankt. De structuur van een chula is dat de mestre iets voor zingt en dat de groep dit nazingt. Worden de ladainha en de chula vaak weggelaten, essentieel voor capoeira is de derde type gezang: de corrido. Net als bij de chula heeft ook de corrido de vraag-en-antwoord structuur waarbij de mestre iets voorzingt en de groep dat nazingt. Maar tijdens de corridos barst het capoeira los.
Na het einde van de slavernij in 1888 werd capoeira gezien als geweldadig en werd het verboden. Uit deze tijd stamt de gewoonte om schuilnamen aan te nemen. Aan dit verbod kwam een einde in 1937 toen dictator Getúlio Vargas aan mestre Bimba toestemming gaf om een capoeiraschool te stichten. Mestre Bimba ontwikkelde de capoeira regional stijl die sneller, acrobatischer en toegankelijker is dan de traditionele capoeira. In 1942 stichtte mestre Pastinha uit Salvador in Bahia een capoeiraschool die zich op de tradionele capoeira angola richtte. Inmiddels bestaan er ook mengvormen tussen beide typen. Mestre Bimba en mestre Pastinha worden beiden gezien als de grondleggers van het moderne capoeira.
|
|






